Integral Dutch Course

Chapter III

Weak Verbs

The verb werken (to work) can serve as a model for a group of so-called weak verbs which are all conjugated the same way and form the various tenses on the same principles. These verbs are called "weak" because the stem of the verb, in this case werk, never changes.

The verb tenses mostly correspond to the English versions. Past indefinite (ik werkte) means I worked, and present perfect (ik heb gewerkt) is like I have worked. Present tense (ik werk) has several equivalents in English: I work, I am working, I will work, or I'm going to be working.

werken (to work)

 
Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
ik werk ik werkte ik heb gewerkt
jij werkt jij werkte jij hebt gewerkt
hij werkt hij werkte hij heeft gewerkt
3 zij werkt zij werkte zij heeft gewerkt
3 het werkt het werkte het heeft gewerkt
wij werken wij werkten wij hebben gewerkt
jullie werken jullie werkten jullie hebben gewerkt
zij werken zij werkten zij hebben gewerkt

luisteren (to listen)

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik luister ik luisterde ik heb geluisterd
2 jij luistert jij luisterde jij hebt geluisterd
3 hij luistert hij luisterde hij heeft geluisterd
3 zij luistert zij luisterde zij heeft geluisterd
3 het luistert het luisterde het heeft geluisterd
1 wij luisteren wij luisterden wij hebben geluisterd
2 jullie luisteren jullie luisterden jullie hebben geluisterd
3 zij luisteren zij luisterden zij hebben geluisterd

Words that have a k, f, s, ch, or p before the -en in the infinitive, such as werken above, form the Past Tense and Perfect Tenses by means of a t; all other weak verbs take a d.

Note: The same happens in spoken form in English words: a t is heard in worked and chopped although these words are spelled with a d. In words like listened and lived on the other hand, a d sound is heard. An easy way to remember which words take t is to form a word of the letters mentioned above, namely KoFSCHiP.

The stem of the verb branden ends on a d (brand). When de(n) is added for the past tense, there will be two d's.

In the perfect tense, the d is not doubled since it is the end of the word.

branden

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik brand ik brandde ik heb gebrand
2 jij brandt jij brandde jij hebt gebrand
3 hij brandt hij brandde hij heeft gebrand
1 wij branden wij brandden wij hebben gebrand
2 jullie branden jullie brandden jullie hebben gebrand
3 zij branden zij brandden zij hebben gebrand

If the stem of the verb ends in -t, then the past indefinite ends in -tte(n), and the past participle ends in just -t. See praten at the start of chapter 4 for an example.

Other verbs in this group are:

wandelen (to stroll, to go for a walk), poetsen (to brush), fietsen (to bike), branden (to burn), winkelen (to go shopping), antwoorden (to answer), regenen (to rain), tekenen (to draw), oefenen (to practice, to exercise), and zeilen (to sail).

Exercise 31. Conjugate the words in the previous paragraph in the same way as in the examples above.

A verb which is also "weak" because the stem doesn't change, is, for example, wonen (to live, to reside). Words like wonen are here put in a different group because of the difference in spelling.

wonen

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik woon ik woonde ik heb gewoond
2 jij woont jij woonde jij hebt gewoond
3 hij woont hij woonde hij heeft gewoond
1 wij wonen wij woonden wij hebben gewoond
2 jullie wonen jullie woonden jullie hebben gewoond
3 zij wonen zij woonden zij hebben gewoond

Other verbs that belong to the same group are, among others,

leren (to learn), maken (to make), smaken (to taste), spelen (to play), parkeren (to park), horen (to hear), koken (to cook or boil), lenen (to lend or borrow), plagen (to tease), halen (to fetch), and menen (to mean).

Exercise 32. Conjugate the verbs above in all three given tenses.


Tenses of zijn:

Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
ik ben ik was ik ben geweest (I have been)
jij bent jij was jij bent geweest
hij is hij was hij is geweest
wij zijn wij waren wij zijn geweest
jullie zijn jullie waren jullie zijn geweest
zij zijn zij waren zij zijn geweest


Tenses of hebben:

Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
ik heb ik had ik heb gehad
jij hebt jij had jij hebt gehad
hij heeft hij had hij heeft gehad
wij hebben wij hadden wij hebben gehad
jullie hebben jullie hadden jullie hebben gehad
zij hebben zij hadden zij hebben gehad

Note on word order: when two or more verbs go together--for instance, when we use a helping verb to form the present perfect--the second one gets moved to the end of the sentence:

Hij speelt piano. Hij speelde piano. Hij heeft piano gespeeld.

Exercise 33. Change the following sentences first to the Past Tense and then to the Present Perfect Tense:
  1. Ik heb een zusje.
  2. Wij hebben een mooi huis.
  3. Jij hebt een broer.
  4. Hij heeft drie kinderen.
  5. Jullie hebben een tafel.
  6. Zij heeft twee zusjes.
  7. Zij hebben een huis.

Verbs expressing motion or change of state:

The verbs komen (to come), gaan (to go), worden (to become), gebeuren (to happen), zijn, and certain other verbs, if they express motion to a destination, such as fietsen, zwemmen (to swim), rijden (to ride), vertrekken (to leave or depart), lopen (to walk), etc. take the helping verb zijn.

ik ben gekomen, jij bent gekomen, hij is gekomen, etc.
ik ben gegaan, jij bent gegaan, hij is gegaan, etc.
ik ben (naar school (to school)) gefietst, etc.

Also:

de trein is vertrokken (the train has left), etc.

het is gebeurd (it has happened), etc.
het is koud geworden (it has become cold), etc.

Also:

hij is geboren (he was born), etc.
hij is gestorven (he has died), etc.
zij is getrouwd (she was married), etc.

Note: if the stem of a verb begins with ge-, it does not add another ge- in the past participle. Verbs beginning with ver- or be- also have this exception. Look closely at gebeuren and vertrekken above.

Exercise 34. Give the correct form of the verb, in the Present Tense, the Past Tense, and the Present Perfect Tense:
Hint: look ahead to chapter 4 for the conjugations of praten, studeren, and beantwoorden.
  1. Ik (zijn) (g)een meisje.
  2. Mary (zijn) ook een meisje.
  3. (Zijn) jij een man of een vrouw?
  4. Hij (hebben) een goed boek.
  5. (Hebben) jij ook een mooi boek?
  6. De jongen (wandelen) in de tuin.
  7. Mary (werken) in de stad.
  8. (Luisteren) jullie naar de radio?
  9. Philip (luisteren) niet.
  10. Hij (praten) te veel.
  11. De atleet (oefenen) elke morgen (morning).
  12. Waar (planten) je vader de boom?
  13. Ik (kennen) (to know a person) de vrouw niet.
  14. Suzan (branden) haar vinger.
  15. (Zagen) (to saw, cut) jij het hout voor het vuur?
  16. (Wonen) (to live) je vriendin in Grand Rapids?
  17. Nee, zij (wonen) in Grand Haven.
  18. Ik (pakken) het boek van de tafel.
  19. Waar (zijn) het boek?
  20. Het kind (spelen) (to play) buiten (outside).
  21. Waar (maken) ze auto's?
  22. Zij (singular) (studeren) Nederlands.
  23. De student (beantwoorden) de vraag (question).
  24. (Oefenen) jij elke (every) dag op de piano?
  25. De speler (raken) (to touch) de bal (ball).

Exercise 35. Change the following sentences first a) into the Past, then b) into the Present Perfect Tense.
  1. Meneer Van Dam werkt in Amsterdam.
  2. Hij heeft een mooi huis.
  3. Hij woont niet in de stad.
  4. Is zijn vrouw ziek?
  5. Mevrouw Van Dam fietst elke dag naar de stad. (motion)
  6. Haar dochter (daughter) gaat (ging - gegaan: to go) ook naar de stad.
  7. Zij praten met de bakker.
  8. De bakker bakt (bakte - gebakken) heerlijk (delicious) brood.
  9. Het regent vaak (often) in Nederland.
  10. De studenten luisteren naar (to) de leraar (teacher).
  11. Zij kennen de goede antwoorden.
  12. Ik hoor een man in het huis.
  13. Mijn zuster leert elke dag veel nieuwe woorden.
  14. Wij oefenen in de garage.
  15. De groente van de markt smaakt heerlijk.
  16. Lenen jullie altijd geld bij de bank?
  17. De baby speelt in de kinderkamer.
  18. Vader parkeert zijn auto voor de voordeur.
  19. Kook jij de groente altijd zo lang?
  20. De vrouwen winkelen in de stad.
  21. Het vuur brandt al (already) een uur.
  22. Ik zeil graag (with pleasure) op het IJsselmeer.
  23. Waarom (why) beantwoord je mijn vraag niet?
  24. Zij halen (to fetch) de fiets uit (from) de schuur (shed).
  25. Wim plaagt de hond.

Inversion of Subject and Verb

The basic order of a Dutch sentence is:

1. subject 2. verb 3. other elements of the sentence.

If an adverb or other elements for some reason precedes the subject, the order of subject - verb is inverted.

1. 2. Mevrouw Van Dam heeft drie kinderen.

2. 1. Nu (now) heeft mevrouw Van Dam drie kinderen.

In the present perfect tense, the helping verb is the one that may be inverted. The past participle stays at the end of the sentence.

Exercise 36. Rewrite the following sentences, adding first vandaag (today) and then gisteren (yesterday - Present Perfect Tense) to the beginning:
  1. Hij woont in Leiden.
  2. Wij hebben drie kinderen.
  3. Het kind speelt in de tuin (yard).
  4. Henk luistert naar (to) de radio.
  5. Hannie oefent op (on) de piano.
  6. Vader werkt in de tuin.
  7. Jullie fietsen naar Amsterdam.
  8. ???
  9. Zij parkeren de auto in de garage.
  10. Moeder kookt het eten (the food).

Niet


Niet normally follows the verb:

Wij gaan naar huis. Wij gaan niet naar huis.

As a rule niet precedes the adverb it negates:

Hij eet veel (He eats much) => Hij eet niet veel (He doesn't eat much)

Niet usually follows the object:

Ik zie (see) hem => Ik zie hem niet.

The positive form of niet is wel. Example:


Henk werkt niet. Wim werkt wel. (Henk does not work. Wim does.)
Henk houdt niet van fietsen. Wim houdt wel van fietsen. (Wim wel.)

In the present perfect tense, once again, the helping verb is the one which gets modified by niet or wel.

Exercise 37. Give the correct form of the verb, then rewrite the sentences in a. the Past and b. the Present Perfect Tense.
  1. Vandaag (koken) hij aardappelen en groente.
  2. Jij (luisteren) niet goed naar mij.
  3. Wim (oefenen) vijf keer per week.
  4. De atleten (wonen) in het olympisch dorp (village).
  5. Zij (praten) met hun trainers.
  6. Ik (horen) niet veel.
  7. (Branden) het vuur goed?
  8. De kinderen (spelen) op straat.
  9. Het (regenen) de hele dag.
  10. In de zomer (zeilen) wij veel.

Nieuwe woorden:

de winkel the store 
het kantoor the office
de stad the city
het eten the food, meal
de aardappel the potato
de school the school
de groente the vegetables
de muziek the music
de piano the piano
het uur the hour
het huiswerk the homework
de kilometer the kilometer
   
tekenen to draw
fietsen to bike
houden van to like
doen to do
spelen to play
koken to cook, boil
winkelen to go shopping
oefenen to exercise, train, practice
   
buitenshuis outside the house
gisteren yesterday
vanmorgen this morning
middag afternoon
avond evening
nacht night (tonight)
   
verleden week last week
jaar year
maand month
   
elk(e) each
ook also
bij at
met with
heerlijk delicious
eerst first
verder further
zoveel so much, many 
toen then (past tense)
duizend(en) thousand(s)
waar where
vandaag today
   
maandag Monday
dinsdag Tuesday
woensdag Wednesday
donderdag Thursday
vrijdag Friday
zaterdag Saturday
zondag Sunday
   
Duitsland Germany
Frankrijk France
Spanje Spain
Zwitserland Switzerland
Oostenrijk Austria
Rusland Russia
Belgie Belgium


ZATERDAG BIJ DE VAN DAMS

Meneer Van Dam werkt in een kantoor. Zijn kantoor is in de stad. Vandaag werkt hij niet: het is zaterdag. Gisteren heeft hij wel gewerkt. Mevrouw Van Dam werkt niet buitenshuis. Ze is vanmorgen naar de winkel geweest. De kinderen zijn vandaag niet naar school geweest. Hannie is met haar moeder naar de winkel geweest. Zij heeft ook getekend. Zij houdt van tekenen. Zij heeft vanmorgen een mooi huis getekend. Wim houdt van fietsen. Hij heeft verleden jaar duizenden kilometers gefietst. Eerst is hij naar Belgie en Duitsland gefietst. Toen is hij naar Frankrijk en Zwitserland gefietst. Henk houdt niet van fietsen. Hij houdt van muziek. Hij speelt piano. Hij oefent elke dag. Hij heeft vanmorgen twee en een half uur geoefend. Moeder houdt niet zo veel van huiswerk. Zij houdt van koken. Zij kookt heerlijk. Gisteren heeft zij groente en aardappelen gekookt. Het smaakte heerlijk.

Exercise 38. Vertaal de bovenstaande zinnen.

Exercise 39. Beantwoord de vragen:
  1. Waar werkt meneer Van Dam?
  2. Waar is zijn kantoor?
  3. Heeft meneer Van Dam vandaag gewerkt?
  4. Heeft hij gisteren gewerkt?
  5. Wat heeft mevrouw Van Dam vanmorgen gedaan?
  6. Heeft ze gewinkeld?
  7. Heeft Hannie ook gewinkeld?
  8. Heeft Wim ook gewinkeld?
  9. Wat heeft Wim verleden jaar gedaan?
  10. Wat heeft Henk vanmorgen gedaan?
  1. Werk jij in een kantoor?
  2. Heb je vanmorgen gestudeerd?
  3. Heb je gisteren gewerkt?
  4. Houd je van fietsen?
  5. Houd je van muziek?
  6. Houd je van winkelen?
  7. Heb je gisteravond gewinkeld?
  8. Heb je zaterdag gewinkeld?
  9. Houd je van koken?
  10. Heb je gisteren gekookt?
Exercise 40. Change the following sentences into a. the Past Tense, b. the Present Perfect Tense, and then c. translate a. into English.
  1. Wij wonen in Michigan.
  2. Mijn ouders (parents) hebben een mooi huis in de stad.
  3. Haar broer woont ook in Michigan.
  4. Hij heeft een vrouw.
  5. Hij en zijn vrouw hebben drie kinderen.
  6. Ik werk altijd (always) in de tuin (garden).
  7. Ik ben student.
  8. Mijn vriend en ik studeren in de bibliotheek (library).
  9. Wij fietsen naar school.
  10. Wij zijn goede vrienden.
  11. Wim speelt piano.
  12. Zijn zuster heet Hannie. (heten - heette - geheten: to be called)
  13. Zij praat met (with) Wim.
  14. Hun vader en moeder praten ook.
  15. Moeder kookt het eten (food).
  16. Het eten smaakt lekker.
  17. Henk plaagt zijn broer. (plagen - to tease)
  18. Zij lenen onze auto.
  19. Vader parkeert zijn auto in de garage. (parkeren - to park)
  20. Zij poetsen hun schoenen (shoes). (poetsen - to brush)
  21. Moeder en haar dochter winkelen (to shop) in de stad (city).
  22. Hoeveel kosten (kostte - gekost: to cost) de boeken?
  23. Wij zijn niet rijk (rich).
  24. Heb jij ook geen geld (money)?
  25. Hun ouders hebben wel veel geld.


Lisa Friedland, February 2002
Integral Dutch Course home