's Maandags doet Moeder boodschappen. Ze gaat meestal op de fiets. Gisteren
heeft ze ook boodschappen gedaan. Gisteren was het maandag. Eerst ging
ze naar de bakker. Ze groette de bakker vriendelijk: `Goedemorgen', zei
ze tegen hem. De bakker beantwoordde haar groet: `Dag, mevrouw Van Dam',
zei hij. `Hoe gaat het vandaag?'. `Het gaat wel', zei mevrouw Van Dam.
`Ik heb het erg druk. Hebt u lekker brood vandaag?' `Vanmorgen gebakken',
antwoordde de bakker. `Heerlijk vers.' `Geeft u mij maar een wit brood
en een bruin brood', zei Moeder. Ik heb nog een half volkoren brood thuis'.
f.4 75' zei de bakker. Moeder gaf de bakker f.5 en de bakker gaf haar een
gulden en een kwartje terug. Nu ging Moeder naar de slager. Daar kocht
ze vlees. Ze kocht twee en een half pond varkensvlees, drie en een half
pond worst en een kilo biefstuk.
f.52 48', zei de slager. `Alstublieft', zei Moeder. `En bedankt. Tot volgende week'. Ze gaf de slager zes briefjes van tien en ze kreeg drie rijksdaalders en twee centen terug. `Dag Mevrouw', zei de slager. `De groeten thuis.'