Moeten (must, to have to), kunnen (can, to be able to), willen (to want to), and mogen (may, to be allowed to) are called modal verbs. They are conjugated as follows:
The verb zullen (will) expresses the future tense and can also serve as a modal verb, i.e. expressing mood.
| Moeten | Kunnen | Willen | Mogen | Zullen | |
|---|---|---|---|---|---|
| ik | moet/moest | kan/kon | wil/wilde | mag/mocht | zal/zou |
| jij | moet | kan | wil | mag | zal |
| hij | moet | kan | wil | mag | zal |
| wij | moeten/moesten | kunnen/konden | willen/wilden | mogen/mochten | zullen/zouden |
| jullie | moeten | kunnen | willen | mogen | zullen |
| zij | moeten | kunnen | willen | mogen | zullen |
If a modal or other auxiliary (helping) verb is used in the sentence, this verb takes the place of the main verb as the finite verb in the sentence (usually in second position after the subject), and the main verb goes to the end of the sentence in infinitive form.
Example:
Ik rijd met de auto van mijn vader. Ik mag met de auto van mijn vader rijden.
| Europa | Europe |
| de provincie | the province |
| het plan | the plan |
| het rijbewijs | the driver's license |
| graag | eagerly, with pleasure |
| rijk | rich, wealthy, empire |
| aardig | nice |
| nooit | never |
| me, mij | me | Hij praat met me. (or mij - stressed) |
| je, jou | you | Hij praat met je. (or jou - stressed) |
| hem | him | Hij praat met hem. |
| haar | her | Hij praat met haar. |
| ons | us | Hij praat met ons. |
| jullie | you | Hij praat met jullie. |
| hun | them | Hij praat met hun. |
Wim: Nee, wat zegt ze?
Henk: Ze zegt dat we misschien bezoek uit Amerika krijgen.
Wim: Wanneer heeft ze dat gezegd?
Henk: Vanmorgen! Ze heeft een brief van haar broer in Michigan gehad.
Wim: Ik wist niet dat we familie in Amerika hadden!
Henk: Ja, ze heeft een broer in Michigan. Hij is getrouwd en ze hebben twee kinderen: een jongen van zestien en een meisje van veertien.
Wim: Hoe heten ze?
Henk: De jongen heet Jim en het meisje heet Jan.
Wim: Wanneer komen ze?
Henk: Ik weet het niet. Ik denk in de zomer, wanneer het warm is.
Wim: Wat willen ze in Nederland doen?
Henk: Ik weet het niet. Ik denk dat ze veel willen zien. De kinderen zijn nog nooit in Europa geweest.
Wim: We kunnen met ze naar Duitsland gaan.
Henk: Ja, maar ze moeten eerst veel van Nederland zien.
Wim: We kunnen naar onze familie in Friesland gaan.
Henk: Ja, en ik wil met Jim naar de stad gaan. Ik wil graag met hem naar het rijksmuseum.
Wim: Kunnen ze Nederlands verstaan?
Henk: Oom Cor kan natuurlijk alles verstaan maar de kinderen waarschijnlijk niet.
Wim: Ik kan Jan wat Nederlands leren. Ik hoop dat ze een beetje aardig is. (hopen - to hope)
Henk: Waarom alleen Jan? Waarom kan je het Jim niet leren?
Wim: O ja, dat kan ik ook doen.
Henk: We moeten veel plannen maken.
Wim: We mogen niet met Vaders auto rijden.
Henk: Waarom niet?
Wim: Je weet dat ik nog geen rijbewijs heb! Ik mag nog niet rijden.
Henk: Wanneer zal je je rijbewijs krijgen?
Wim: Zodra ik genoeg geld heb.
Henk: Misschien wil onze Amerikaanse familie dat betalen aangezien alle Amerikanen rijk zijn!
Exercise 54. Vertaal de bovenstaande dialoog in het Engels.