There are three main relative pronouns in modern Dutch: die, dat, and wat. (Wat will be explained later.)
If the antecedent is a de- word, the relative pronoun is die:
If the antecedent is a het- word the relative pronoun is dat:
| de aankomst | the arrival |
| het vliegtuig | the aeroplane |
| de vlucht | the flight |
| de reis | the journey, trip |
| het koren | the wheat |
| de gewoonte | the custom |
| het vaderland | the fatherland |
| de tram | the streetcar |
| het gesprek | the conversation |
| de koffie | the coffee |
| de ouders | the parents |
| de douane | the customs |
| de jongelui | the young people |
| de koffer | the suitcase |
| de molen | the windmill |
| gebruiken | to use |
| ontmoeten | to meet |
| hopen | to hope |
| arriveren | to arrive |
| dragen | to carry |
| pompen | to pump |
| malen | to grind |
| merken | to notice, to find out |
| bedoelen | to mean, intend |
| zopas | just, a minute ago |
| bijvoorbeeld | for example |
| gauw | fast, quickly |
| lief | dear |
| zeker | certainly |
| knap | good-looking |
| aardig | friendly, nice |
| echt | really |
| anders | different |
| vervelend | too bad, bad luck |
| leuk | cute, "cool" |
| op tijd | on time |
| Wat (groen)! | How (green)! |
| vandaan | from |
| geleden | ago |
| nog nooit | never (yet) |
| Hij kwam bij zijn broer vandaan. | He came from his brother's. |
| hoor! | (you) hear! |
| Heb je honger? Nee, hoor! | Are you hungry? No, not at all. |
| Hoe gaat het? Goed, hoor! | How are you? Fine, thanks. |
| Kan u mij verstaan? Ja, hoor! | Can you understand me? Yes, thank you. |
Hannie: Kijk Ma! Daar komt een vliegtuig! Misschien komt het uit Amerika.
Moeder: Ik heb op de monitor gekeken. Het vliegtuig dat uit Amerika komt, zal een half uur te laat zijn.
Wim: He, wat vervelend! Nu moeten we nog meer dan een half uur wachten voordat ze komen.
Moeder: Ja, ik kan het niet helpen. We kunnen eerst een kopje koffie gaan drinken in het restaurant.
Wim: Hebt u de kinderen van Oom Cor en Tante Jane al ontmoet?
Moeder: Ja, toen Pa en ik in Amerika waren, zeven jaar geleden. Toen waren de kinderen nog erg klein.
Wim: Zijn ze aardig?
Moeder: Ze zijn erg aardig, maar ze zijn wel anders. Amerikanen hebben andere gewoonten dan Nederlanders.
Wim: Wat bijvoorbeeld?
Moeder: Dat zul je wel merken zodra ze er zijn.
?? 316 uit Chicago is zopas geland. Dat moeten ze zijn!'
Vader: Nu moeten ze nog door de douane.
Henk: Kijk! Daar is onze familie! Een man, een vrouw, en twee jongelui - een jongen en een meisje.
Moeder: Ja, de man met de twee grote koffers is mijn broer, Oom Cor. En de vrouw naast hem is Jane, zijn vrouw. En de jongen en het meisje zijn Jim en Jan.
Wim: Ik vind Jan knap!
Hannie: Ik hoop dat ze ook aardig is!
Moeder: Dag, lieve mensen! Hebben jullie een goede reis gehad?
Cor: Ja hoor, heel goed! Hoe gaat het met jullie?
Moeder: Ook heel goed. Welkom in je vaderland!
June: Hallo! Zijn dat jullie kinderen?
Moeder: Ja, dat is Wim, dat is Hannie en dat is Henk.
June: Hi, ik bedoel Dag!
Hannie: Dag. U spreekt goed Nederlands.
June: Ik doe mijn best.
Vader: De oude mensen gaan met de auto maar de jonge mensen moeten met de trein en tram.
Jim: Wat is een tram?
Wim: Dat is een soort trein die in de straat rijdt.
Jane: Wat groen is alles in Nederland! Is dat een molen?
Hannie: Ja, dat is een echte Hollandse molen. Dat is een molen die water pompt. Andere molens kunnen koren malen en nog veel meer.
Jim: Wat is koren?
Wim: Koren is iets (something) dat je gebruikt voor brood. Kijk, dat is ons huis.
June: How cute!
Hannie: Ja, leuk he?
Exercise 57. Vertaal het bovenstaand gesprek in het Engels.